Zuurstofreductie-installatie

Een zuurstofreductie-installatie verlaagt en bewaakt het zuurstofgehalte in een besloten ruimte om de ontstekings- en uitbreidingsmogelijkheden van brand te beperken. Hiervoor wordt doorgaans lucht met een verhoogd stikstofgehalte toegevoerd. De installatie onderhoudt de beschermende atmosfeer tijdens het normale gebruik. Dit verschilt van een gasblusinstallatie, die na activering een hoeveelheid blusgas afgeeft om een al ontstane brand te bestrijden.

Het geschikte zuurstofniveau hangt af van de aanwezige materialen, de brandscenario's en de wijze waarop de bescherming is aangetoond. Er bestaat geen universele zuurstofconcentratie waaronder iedere brand onmogelijk wordt. Stoffen kunnen verschillende ontstekingsgrenzen hebben en sommige processen vereisen een afzonderlijke beoordeling. Ook smeulbrand en warmtedoorgifte vanuit apparatuur verdienen aandacht. Alleen een percentage uit een vergelijkbaar gebouw overnemen geeft onvoldoende zekerheid over de eigen opslag of bedrijfsvoering.

De capaciteit moet passen bij de luchtuitwisseling van de ruimte. Deuren, transportopeningen en lekken voeren zuurstofrijke buitenlucht aan. Regelmatig openen kan daardoor een groter effect hebben dan kleine blijvende kieren. Het ontwerp omvat de productie of toevoer van stikstofrijke lucht, verdeling, sensoren, regeling en bewaking. Eventuele sluizen ondersteunen zowel het behoud van de atmosfeer als het gecontroleerd betreden van de ruimte.

NEN-EN 16750 geeft eisen voor ontwerp, aanleg en onderhoud van zuurstofreductiesystemen die stikstof gebruiken voor voortdurende bescherming in besloten ruimten. De norm behandelt tevens bouwkundige voorwaarden voor de beschermde ruimte. Zij is geen algemene ontwerpnorm voor explosiepreventie, tijdelijk inertiseren bij onderhoud of gasblussing. De veiligheidsfunctie en het toepassingsgebied moeten daarom al bij het opstellen van de uitgangspunten duidelijk worden onderscheiden.

Een verlaagd zuurstofgehalte vraagt een afzonderlijke beoordeling van de arbeidsveiligheid. Toegankelijkheid kan niet uitsluitend worden afgeleid uit het ontbreken van rook of een normaal ervaren ademhaling. Werkbelasting, verblijfsduur en individuele omstandigheden beïnvloeden de belasting van personen. Een RI&E moet passende toegangsvoorwaarden, instructies, bewaking en hulpverleningsprocedures bepalen. Ook aannemers die slechts incidenteel onderhoud uitvoeren moeten onder die afspraken vallen.

Bij het beheer worden sensoren gecontroleerd, alarmgrenzen bewaakt en afwijkingen in het zuurstofniveau onderzocht. Een te hoog gehalte kan de brandpreventieve werking verminderen; een lager gehalte dan bedoeld kan de personenveiligheid beïnvloeden. Voor uitval van productie, regeling of voeding moet een passende reactie zijn vastgelegd. Wanneer andere goederen worden opgeslagen, moet hun geschiktheid opnieuw worden beoordeeld. De beveiliging is afhankelijk van zowel de technische atmosfeerregeling als het werkelijke gebruik van de ruimte.