Visuele alarmering

Visuele alarmering waarschuwt personen voor brand of een andere noodsituatie met een zichtbaar lichtsignaal. Bij brandmeld- en ontruimingsalarmsystemen worden hiervoor speciaal ontworpen signaalgevers gebruikt, vaak met knipperend licht. Zij kunnen een hoorbaar alarm aanvullen wanneer mensen dat onvoldoende waarnemen, bijvoorbeeld door gehoorverlies, gehoorbescherming of veel omgevingsgeluid. De noodzakelijke uitvoering wordt bepaald vanuit het gebruik van de ruimte en de vastgelegde alarmeringsstrategie.

NEN-EN 54-23 bevat producteisen voor visuele brandalarmeringsapparatuur, internationaal aangeduid als Visual Alarm Devices of VAD's. Het beoordeelde product heeft een opgegeven dekkingsvolume bij bepaalde montagevoorwaarden. Er zijn categorieën voor wandmontage, plafondmontage en andere vastgelegde toepassingen. De omvang van dat volume bepaalt mede hoeveel signaalgevers nodig zijn. Een willekeurig zwaailicht of een lampje op een melder is geen gelijkwaardige vervanging voor zo'n voorziening.

Het ontwerp moet ervoor zorgen dat het lichtsignaal op de bedoelde verblijfsplaatsen kan worden waargenomen. Kasten, scheidingswanden, machines en de opstelling van werkplekken kunnen het zicht beïnvloeden. Ook sterk daglicht of felle werkverlichting kan de opvallendheid veranderen. Het montagepunt wordt daarom gekozen aan de hand van de productgegevens en de werkelijke ruimte. Alleen constateren dat het licht vanaf de toegangsdeur zichtbaar is, geeft onvoldoende inzicht in de dekking.

Visuele alarmering heeft een andere taak dan een nevenindicator. Die laatste helpt een aangesproken brandmelder of de bijbehorende ruimte terug te vinden. Evenmin vervangt een flitslicht de vluchtrouteaanduiding, die de richting naar een uitgang aangeeft. Voor aanwezigen moet duidelijk zijn welk signaal een alarm betekent en welke handeling daarbij wordt verwacht.

Een lichtsignaal bereikt niet iedere persoon onder alle omstandigheden. Een slapend persoon of iemand zonder voldoende zicht kan een andere waarschuwingsvoorziening nodig hebben. De keuze kan dan liggen bij een combinatie van persoonlijke signalering, begeleiding en andere passende middelen. Toegankelijkheid wordt daarmee beoordeeld vanuit de gebruikers, zonder aan te nemen dat één extra signaalgever voor alle beperkingen een oplossing biedt.

De signaalgevers worden opgenomen in de relevante alarmeringszones, voeding en storingsbewaking. Hun stroomverbruik kan van invloed zijn op de benodigde noodvoeding. Bij oplevering wordt gecontroleerd of zij in de bedoelde scenario's worden geactiveerd en of de dekking overeenkomt met het ontwerp. Na een gewijzigde inrichting of toevoeging van hoge scheidingswanden moet die ruimtelijke beoordeling opnieuw plaatsvinden.