Schuimblusinstallatie

Een schuimblusinstallatie brengt blusschuim aan op een brandend oppervlak of vult een daarvoor geschikte ruimte met schuim. Het schuim ontstaat door water en schuimconcentraat in een bepaalde verhouding te mengen en vervolgens lucht toe te voegen. De werking berust onder meer op het afdekken van de brandstof, het beperken van brandbare dampvorming en koeling. De bijdrage van ieder mechanisme hangt af van het schuimtype en de toepassing.

Zwaar-, middel- en lichtschuim verschillen in de verhouding tussen gevormd schuimvolume en de gebruikte schuimoplossing. Zwaarschuim wordt veel toegepast op vloeistofoppervlakken; lichtschuim kan voor ruimtevulling worden gebruikt. Die indeling zegt nog niet voor welke brandstof het concentraat geschikt is. Watermengbare brandbare vloeistoffen, zoals bepaalde alcoholen, kunnen een gewone schuimlaag aantasten en vragen een daarvoor aantoonbaar geschikt middel en systeem.

Het systeem omvat een watervoorziening, concentraatvoorraad, bijmenging, leidingnet en uitstroomvoorzieningen. De juiste mengverhouding moet binnen het gebruikte debietbereik worden bereikt. Een bijmenger die bij een grote afname goed werkt, kan bij een kleine afname onjuist doseren. Ook viscositeit en temperatuur van het concentraat beïnvloeden de werking. Het ontwerp moet daarom de werkelijke bedrijfscondities beschouwen, inclusief de benodigde bedrijfsduur en resterende bruikbare voorraad.

NEN-EN 13565 behandelt vaste schuimblussystemen; andere projecten gebruiken bijvoorbeeld NFPA- of FM-voorschriften. De gekozen normset en brandscenario's worden in de uitgangspunten vastgelegd. Een sprinklerinstallatie wordt niet automatisch een geschikte schuiminstallatie door concentraat toe te voegen. Uitstromers, afgifte, materiaalcompatibiliteit en mengtechniek moeten samen passend zijn. Ook de wijze van aanbrengen kan bepalen of een schuimlaag zich rustig vormt of juist wordt beschadigd.

De overgang naar fluorvrije blusschuimen vraagt een beoordeling van de hele installatie. Een ander concentraat kan andere bijmenging, afgifte of verschuiming vereisen. Bestaande voorraad en installatieonderdelen moeten bovendien worden beoordeeld op verontreiniging met achtergebleven fluorhoudend schuim. Toepasselijke PFAS-beperkingen en overgangstermijnen verschillen per stof en gebruik. Een productwijziging zonder herbeoordeling van blusprestatie en materiaalcompatibiliteit kan de oorspronkelijke beveiliging aantasten.

Beproeving moet aantonen dat voldoende water, concentraat en mengkwaliteit beschikbaar zijn. Daarbij wordt vooraf geregeld hoe testvloeistof en schuim worden opgevangen. Bluswateropvang moet ook bij de incidentbestrijding passen bij het gekozen scenario. Na een activering vraagt heringebruikname meer dan het bijvullen van concentraat: verbruikte componenten, reiniging, mogelijke productmenging en de oorspronkelijke bedrijfsstanden moeten worden beoordeeld. De voor de brandweer beschikbare informatie hoort de werkelijk aanwezige schuimsoort te vermelden.