Rookafvoerkanaal
Een rookafvoerkanaal transporteert rook als onderdeel van een rookbeheersingssysteem naar een afvoerpunt. Het kan één brandruimte bedienen of rook vanuit geselecteerde compartimenten via een gemeenschappelijk stelsel afvoeren. Anders dan bij gewone ventilatie moet het kanaal zijn functie kunnen behouden onder de brandcondities waarvoor het is ontworpen. Daarbij tellen ook verbindingen, ophangingen, kleppen en doorvoeringen mee.
NEN-EN 12101-7 behandelt rookbeheersingskanaalsecties en bijbehorende onderdelen. Het toepassingsgebied omvat kanalen in rookafvoersystemen en drukverschilsystemen. Er is een belangrijk onderscheid tussen een kanaal dat binnen één compartiment blijft en een kanaal dat door andere compartimenten loopt. In het tweede geval moet worden voorkomen dat het kanaal brand of rook naar die andere gebieden overbrengt. De vereiste classificatie volgt uit die ligging en de systeemfunctie.
De aanduiding brandwerend kanaal is op zichzelf onvoldoende voor productselectie. Een brandwerend ventilatiekanaal is niet automatisch geschikt als rookafvoerkanaal. Bij rookafvoer kunnen andere temperatuurbelastingen, onderdrukken, lekkage-eisen en functionele criteria gelden. Het classificatiebewijs moet de werkelijke toepassing dekken, inclusief horizontale of verticale montage en de richting van de brandbelasting. Ook de toegestane kanaalafmetingen en drukklasse begrenzen de toepassing.
De kanaalweerstand bepaalt mede de opbrengst van de aangesloten rook- en warmteventilator. Bochten, vernauwingen en roosters kunnen het benodigde drukverschil vergroten. Bij brand mag vervorming de doorsnede niet zodanig verminderen dat de berekende rookafvoer verloren gaat. Lekke verbindingen kunnen omgevingslucht aanzuigen, waardoor bij de ventilator wel een debiet wordt gemeten terwijl bij het rookreservoir te weinig rook wordt afgevoerd.
Ophangingen moeten passen bij de beoordeelde kanaalopbouw. De geschiktheid van de verankering aan de bouwconstructie moet voor de betreffende ondergrond en brandbelasting worden onderbouwd. Draadstangen, ankers, afstanden en verbindingen moeten passen bij de productdocumentatie. Een extra belasting van bijvoorbeeld kabelgoten op de kanaalophanging kan de uitgangspunten veranderen. Waar het kanaal een brandscheiding passeert, moet de doorvoering aansluiten op het geteste systeem. Willekeurig dichtzetten met een brandwerend product bewijst niet dat de gecombineerde kanaaldoorvoering de benodigde prestatie heeft.
Voor beheer moeten inspectieopeningen, rookbeheersingskleppen en relevante verbindingen bereikbaar blijven. Bij oplevering worden de uitgevoerde kanaalroute en ophangingen vastgelegd, vooral voordat deze boven plafonds verdwijnen. Latere verbouwingen vragen aandacht voor nieuwe aftakkingen en beschadiging van bekleding. Een opening voor een kabel of een weggehaalde ophanging kan zowel de brandwerende functie als de afvoercapaciteit aantasten. Herstel moet daarom op beide functies worden beoordeeld.