Rook- en warmteventilator

Een rook- en warmteventilator is een ventilator waarvan de geschiktheid voor rookbeheersing bij verhoogde temperatuur is beoordeeld. Hij voert rook af of verplaatst rook binnen een ontworpen stromingspatroon. De benaming brandventilator wordt hiervoor eveneens gebruikt. Sommige uitvoeringen verzorgen daarnaast dagelijkse ventilatie. Die dubbele functie verandert niets aan de noodzaak om de prestaties onder brandcondities afzonderlijk vast te stellen.

NEN-EN 12101-3 beschrijft productkenmerken en beproevingsmethoden voor mechanische rook- en warmteventilatoren. De norm omvat ook impuls- en stuwdrukventilatoren. Een temperatuur- en tijdclassificatie geeft aan onder welke beproevingscondities het product functioneert. Daaruit volgt niet dat iedere brand in die ruimte dezelfde temperatuur heeft of dat de volledige installatie even lang blijft werken. De benodigde classificatie wordt afgeleid uit het ontwerp en het toepasselijke voorschrift.

De ventilatorselectie begint bij de gevraagde volumestroom en drukopbouw. Het snijpunt van ventilatorkarakteristiek en systeemweerstand bepaalt het werkpunt. Extra roosters, geluiddempers of wijzigingen in het rookafvoerkanaal kunnen de afvoer verminderen. Ook lucht- of rookdichtheid moet bij de beoordeling van prestatiegegevens zorgvuldig worden behandeld. Een debiet bij vrije uitblaas is geen bewijs dat dit debiet in een aangesloten kanaalnet wordt gehaald.

De montage behoort bij de aangetoonde productprestatie. Opstelling binnen of buiten de rookstroom, motoruitvoering, koeling, trillingsisolatie en eventuele flexibele verbindingen moeten overeenkomen met de productdocumentatie. Bij toerentalregeling moet duidelijk zijn welke regeling onder brandcondities is toegestaan. Een willekeurig vervangen frequentieregelaar of een andere motor kan gevolgen hebben voor de geteste combinatie. De brandstand moet daarom herkenbaar in de technische documentatie zijn vastgelegd.

Een ventilator kan alleen blijven werken als voeding en besturing beschikbaar blijven. De benodigde noodvoeding, bescherming van kabelroutes en reactie van motorbeveiligingen worden vanuit de veiligheidsfunctie bepaald. De keuze om een beveiliging in brandbedrijf anders te laten reageren vraagt een onderbouwd ontwerp. Het is geen algemene vrijbrief om elektrische beveiligingen buiten werking te stellen. De stuurfuncties moeten aansluiten op de ventilator en de overige installatie.

Bij een functionele proef worden draairichting, starten, terugmeldingen en de vereiste bedrijfstoestanden gecontroleerd. Waar de installatieprestatie daarvan afhankelijk is, worden ook druk en volumestroom gemeten. Lagerproblemen, vervuilde waaiers en geblokkeerde uitblaasopeningen kunnen lang onopgemerkt blijven bij een ventilator die zelden draait. Een periodieke proef van de complete mechanische rookafvoer geeft daarom andere informatie dan uitsluitend een korte lokale motortest.