Roetopbrengst
Roetopbrengst is de massa roet die bij verbranding ontstaat per massa verbruikte brandstof. In brandmodellen wordt vaak de Engelse term soot yield gebruikt. De eenheid is kg/kg, zodat de waarde dimensieloos kan worden weergegeven. Een roetopbrengst van 0,05 betekent bijvoorbeeld 0,05 kg roet per kilogram verbruikte brandstof onder de beschouwde omstandigheden. Het getal beschrijft de productie bij de bron en verschilt van de roetconcentratie die later op een bepaalde plaats in de ruimte aanwezig is.
De opbrengst hangt af van brandstofsamenstelling en verbrandingscondities. Dezelfde kunststof kan bij een andere ventilatie of opstelling andere hoeveelheden roet produceren. Voor samengestelde producten spelen ook bekleding, schuim, ondergrond en eventuele brandvertragers een rol. Een tabelwaarde voor een zuivere stof kan daarom niet vanzelf het volledige product vertegenwoordigen. Bovendien moet duidelijk zijn of de gebruikte massa betrekking heeft op verbruikte brandstof, massaverlies van een proefstuk of een andere meetdefinitie.
In een model wordt de roetproductie gekoppeld aan het brandverloop. Als de massaverbrandingssnelheid bekend is, kan deze met de roetopbrengst worden vermenigvuldigd. Wordt zij uit het brandvermogen afgeleid, dan zijn ook de gebruikte verbrandingswarmte en modelaannames van belang. Daarna bepalen transport, verdunning, afzetting en eventuele deeltjesprocessen de plaatselijke concentratie. Een hogere opbrengst leidt bij verder gelijke omstandigheden doorgaans tot meer optische rookverduistering.
De vertaling naar zichtlengte in rook vereist aanvullende optische eigenschappen, waaronder een geschikte massagerelateerde extinctiecoëfficiënt. Roetopbrengst is bovendien geen maat voor alle schadelijke stoffen in rook. Koolmonoxide en waterstofcyanide moeten, waar relevant, afzonderlijk worden beschreven. Ook aerosolen uit een smeulbrand kunnen optisch anders reageren dan roet uit vlammende verbranding. Eén standaardwaarde voor ‘rook’ kan zulke verschillen verbergen en daardoor de beoordeling van vluchten of detectie vertekenen.
Een onderbouwde keuze vermeldt materiaal, brandproef, ventilatieconditie en toepassingsgebied van de brongegevens. Wanneer de werkelijke inventaris varieert, kan een reeks aannemelijke waarden nodig zijn. Met een gevoeligheidsanalyse wordt nagegaan hoeveel het ontwerp afhangt van de gekozen opbrengst. Vooral wanneer zichtverlies de beschikbare vluchttijd bepaalt, verdient deze invoer expliciete aandacht. De standaardwaarde van een simulatieprogramma is slechts een instelling; zij bewijst niet dat de rookproductie van het onderzochte gebouwgebruik daarmee voldoende nauwkeurig of ongunstig wordt vertegenwoordigd.