Panieksluiting
Een panieksluiting is een sluitvoorziening waarmee een deur op een vluchtroute door druk tegen een horizontale stang of balk kan worden geopend. De bediening is bedoeld om ook te functioneren wanneer gebruikers de deur niet kennen of door gedrang weinig ruimte hebben voor een gerichte handeling. De sluiting maakt het mogelijk de deur in de vluchtrichting te ontgrendelen zonder eerst een sleutel of afzonderlijke ontgrendeling te zoeken.
NEN-EN 1125 beschrijft eisen en beproevingen voor mechanisch bediende panieksluitingen met een horizontale bedieningsstang. NEN-EN 179 behandelt sluitingen voor nooduitgangen met een deurkruk of drukplaat. Deze twee oplossingen zijn niet zonder beoordeling uitwisselbaar. Bij de keuze spelen de wettelijke voorschriften, de verwachte gebruikers en de kans op een situatie met gedrang of onbekendheid met de bediening een rol.
Voor de daarvoor aangewezen niet-woonfuncties bevat het Bbl een voorschrift voor deuren waarop bij vluchten meer dan honderd personen zijn aangewezen. Die moeten in de vluchtrichting door lichte druk tegen de deur of een voorgeschreven panieksluiting kunnen worden geopend. De bijbehorende aansturing en uitzonderingen blijven onderdeel van de toets. Een paniekbalk is dus geen algemene verplichting voor iedere deur met een groen vluchtpictogram.
De prestatie geldt voor de combinatie van sluiting, bedieningsvoorziening, sluitplaten en deuruitvoering. Willekeurig beslag combineren omdat het mechanisch past, kan de beoordeelde werking aantasten. Bij toepassing in een brandwerende deur moet bovendien vaststaan dat de combinatie geschikt is voor die brand- of rookwerende deurconstructie. De beproeving van een panieksluiting alleen bewijst die aanvullende prestatie niet.
Ook de deur zelf beïnvloedt het openen. Een te zwaar afgestelde dranger, een kromgetrokken deurblad, windbelasting of overdruk kan de benodigde bedieningsinspanning verhogen. Bij een dubbele deur moeten de gekozen sluiting en sluitvolgorde passend samenwerken. De vrije doorgang en openingshoek blijven afzonderlijke aandachtspunten voor de vluchtcapaciteit.
In het beheer wordt de voorziening daadwerkelijk bediend en gecontroleerd op schade, blokkering en ongeoorloofde aanvullingen. Een ketting, extra schuifgrendel of kabelbindertje kan de vluchtfunctie volledig uitschakelen. Bij toegangscontrole moeten beveiliging en nooduitgang daarom als één deursysteem worden beoordeeld. Een elektrisch signaal of ontgrendelknop ergens in het gebouw vervangt niet vanzelf de ter plaatse vereiste bediening.