Ontruimingsalarminstallatie type B

Een ontruimingsalarminstallatie type B is een luidalarminstallatie die aanwezigen waarschuwt met akoestische signaalgevers, doorgaans met een herkenbaar slow-whoop-signaal. De installatie kan automatisch worden geactiveerd door een brandmeldinstallatie en kan mogelijkheden voor handbediening hebben. De systeem- en projecteringseisen zijn uitgewerkt in NEN 2575-1 en NEN 2575-3. Welke uitvoering nodig is, volgt uit de vastgestelde eisen voor het gebouw.

Een alarmsignaal moet hoorbaar zijn waar aanwezigen op dat signaal moeten reageren. Daarvoor tellen het normale achtergrondgeluid en de akoestische eigenschappen van de ruimte mee. Gesloten deuren, geluidsisolerende wanden en gehoorbescherming kunnen de waarneming sterk verminderen. Een sirene in de gang is dus geen bewijs dat een medewerker in een afgesloten werkruimte het alarm voldoende hoort. Het ontwerp bepaalt de benodigde plaatsing en verdeling van signaalgevers.

De betekenis van het signaal moet voor gebruikers duidelijk zijn. Een toon vertelt op zichzelf niet welke uitgang bruikbaar is of welke afdeling moet worden ontruimd. De reactie wordt daarom uitgewerkt in het ontruimingsplan en ondersteund door instructie en oefeningen. In gebouwen met bezoekers vraagt ook de begeleiding door personeel aandacht. Bekendheid met een signaal mag niet zonder meer worden verondersteld.

Een type B-installatie wordt ontworpen voor de voorgeschreven toonsignalering. Voor een veiligheidsconcept met gesproken ontruimingsinstructies wordt het systeem beoordeeld als type A volgens de daarvoor toepasselijke eisen. Bij bestaande installaties moet de normeditie uit de uitgangspunten worden gecontroleerd; mogelijkheden uit oudere wijzigingsbladen mogen niet zonder toetsing als actuele ontwerpregel worden gebruikt.

De beschikbaarheid van de waarschuwing hangt mede af van voeding, verbindingen en de begrenzing van storingen. Een defect in één kring mag geen grotere uitval veroorzaken dan binnen het ontwerp is toegestaan. Bij selectieve alarmering moet een brandmelding bovendien de juiste zones activeren. Een functionerende sirene op één plaats zegt weinig over de werking van alle andere signaalgevers of over de juistheid van deze programmering.

Voor personen die het akoestische signaal onvoldoende kunnen waarnemen, kan aanvullende visuele alarmering of een andere passende voorziening nodig zijn. De keuze wordt gemaakt vanuit de gebruikers en hun omstandigheden. Bij controles worden gewijzigde ruimte-indelingen, toegenomen omgevingsgeluid en de werkelijke stand van deuren meegenomen. Daarmee blijft de beoordeling gericht op het waarschuwen van mensen op hun verblijfsplaats.