Noodvoeding
Een noodvoeding levert elektrische energie wanneer de normale voeding uitvalt. Bij brandveiligheidsinstallaties moet zij ervoor zorgen dat de vereiste detectie, alarmering of besturing gedurende de vastgestelde tijd beschikbaar blijft. De uitvoering kan bestaan uit accu's, een centrale noodstroomvoorziening of een andere daarvoor geschikte energiebron. Welke oplossing toelaatbaar is, hangt af van de installatie, het veiligheidsdoel en de toepasselijke voorschriften.
Een brandmeldcentrale gebruikt doorgaans een normale netvoeding met een aanvullende accuvoeding. De energievoorziening moet de omschakeling en de bewaking van relevante storingen verzorgen. NEN-EN 54-4 bevat producteisen voor voedingen van brandmeld- en brandalarmsystemen. Een willekeurige computer-UPS heeft daarmee niet automatisch de eigenschappen die voor een specifieke brandveiligheidsinstallatie zijn vereist.
De benodigde energie wordt bepaald uit de stroomopname en de vereiste bedrijfsduur. Daarbij zijn de normale bewakingstoestand en de alarmtoestand vaak verschillend. Tijdens alarm kunnen extra signaalgevers, relais, luidsprekers of andere verbruikers actief zijn. Bij de dimensionering worden die belastingen en de toepasselijke rekenvoorwaarden meegenomen. De accucapaciteit in ampère-uur zegt bovendien niet hoeveel stroom een voeding op ieder moment aan de aangesloten apparatuur kan leveren.
Ook de toestand aan het einde van de vereiste overbruggingstijd telt mee. Accuspanning, spanningsverlies in de bekabeling en de minimale voedingsspanning van apparatuur bepalen samen of onderdelen nog werken. Een voeding die in rust voldoende spanning geeft, kan bij hogere belasting tekortschieten. Capaciteitsverlies door veroudering en de invloed van temperatuur worden verwerkt volgens de voorschriften voor het systeem en de gebruikte accu's.
Bij grotere installaties kan de energievoorziening over meerdere voedingen zijn verdeeld. Dan moet duidelijk zijn welke onderdelen bij uitval van één voeding hun functie verliezen en hoe die uitval wordt gemeld. Een aggregaat vraagt daarnaast aandacht voor starten, omschakelen en de beschikbaarheid van brandstof. Waar een functie geen onderbreking kan verdragen, moet de periode tot het beschikbaar komen van de alternatieve bron passend worden overbrugd.
Een beschikbare noodvoeding bewijst nog geen functiebehoud van de hele installatie. Brand kan ook kabels, verdeelpunten of de verbruiker zelf aantasten. De voeding en transmissiewegen worden daarom in samenhang met het ontwerp beoordeeld. Bij beproeving van een brandmeldinstallatie moet meer worden gecontroleerd dan de aanwezigheid van een accu: ook storingssignalering, omschakeling en de werking onder relevante belasting horen bij de beoordeling.