Noodverlichting
Noodverlichting is verlichting die beschikbaar komt of blijft wanneer de normale verlichting uitvalt. Voor brandveiligheid is vooral van belang dat personen zich kunnen oriënteren en een gebouw veilig kunnen verlaten. De verlichting maakt loopvlakken, hoogteverschillen en andere obstakels waarneembaar. Zij heeft daarmee een andere taak dan vluchtrouteaanduiding, die laat zien in welke richting een uitgang kan worden bereikt.
Onder de technische verzamelterm vallen verschillende toepassingen. Vluchtrouteverlichting verlicht de te volgen route. Antipaniekverlichting ondersteunt oriëntatie in open ruimten. Verlichting voor werkplekken met een verhoogd risico helpt om gevaarlijke werkzaamheden veilig te beëindigen. Vervangingsverlichting kan bedrijfsprocessen voortzetten, maar voldoet daardoor niet vanzelf aan de eisen voor veilig vluchten. De gekozen armaturen en voeding moeten passen bij de bedoelde taak.
Het Bbl bepaalt voor welke gebruiksfuncties en ruimten noodverlichting nodig is. Daarbij spelen bijvoorbeeld bezetting en het soort vluchtroute een rol. Voor noodverlichting die volgens de betreffende Bbl-bepalingen is voorgeschreven, geldt dat zij binnen 15 seconden na uitval van de elektriciteitsvoorziening gedurende ten minste 60 minuten minimaal 1 lux moet geven op het bedoelde vloeroppervlak, tredevlak of de hellingbaan. De wettelijke aansturing en eventuele aanvullende arbeidsveiligheidseisen worden per situatie vastgesteld.
NEN-EN 1838 beschrijft lichttechnische eisen voor noodverlichting. De toepasselijke editie en het gebruiksdoel moeten bekend zijn voordat prestaties worden beoordeeld. Het ontwerp gebruikt de lichtverdeling van armaturen in noodbedrijf. Die kan afwijken van de lichtopbrengst tijdens normaal bedrijf. Montagehoogte, onderlinge afstand en schaduwwerking bepalen vervolgens of het licht de vereiste plaatsen werkelijk bereikt.
Bij decentrale uitvoering heeft een armatuur doorgaans een eigen accu. Bij centrale uitvoering worden meerdere armaturen vanuit een gezamenlijke noodstroomvoorziening gevoed. De keuze heeft gevolgen voor bekabeling, controle en de omvang van mogelijke uitval. Ook moet de verlichting reageren op de uitval die relevant is voor de betreffende ruimte. Alleen reageren op volledige stroomuitval van het gebouw kan onvoldoende zijn wanneer een lokale lichtgroep uitvalt.
Een groen controlelampje toont niet aan dat de vereiste verlichtingssterkte en bedrijfsduur worden gehaald. Daarvoor zijn passende functionele controles, duurbeproevingen en zo nodig lichtmetingen nodig. Vervuiling, accuveroudering en nieuwe obstakels kunnen de prestatie verminderen. Een automatisch testsysteem kan fouten registreren, maar de opvolging daarvan en de beoordeling van de gewijzigde ruimte blijven werkzaamheden voor de beheerorganisatie.