Nooduitgang
Een nooduitgang is een uitgang die is bedoeld om personen bij brand of een andere noodsituatie een vluchtmogelijkheid te bieden. In de praktijk wordt de term ook gebruikt voor deuren die naast hun dagelijks gebruik een vluchtfunctie hebben. Het Bbl gebruikt het specifiekere begrip nooddeur voor een deur die uitsluitend voor vluchten is bestemd. Dat onderscheid is van belang bij de keuze en beoordeling van de deurconstructie.
Een nooduitgang moet deel uitmaken van een bruikbare route naar een veilige bestemming. Een deur naar buiten is onvoldoende als direct daarachter een afgesloten binnenplaats, een steile afstap of een ontoegankelijk hek ligt. Ook de beschikbare ruimte buiten telt mee. Personen moeten kunnen doorlopen en mogen niet samenstromen op een plek waar zij door brand, rook of verkeer opnieuw gevaar lopen.
De vereiste draairichting en bediening hangen samen met het aantal personen, de gebruiksfunctie en het wettelijke beoordelingsniveau. Een nooddeur mag in de daarvoor aangewezen gebruiksfuncties geen schuifdeur zijn. Dat verbod geldt niet zonder meer voor iedere dagelijks gebruikte schuifdeur met een vluchtfunctie. Voor automatische deuren en toegangspoorten moet de werking in de relevante noodsituatie afzonderlijk zijn gewaarborgd.
Deuren op een vluchtroute moeten tijdens aanwezigheid van personen in beginsel onmiddellijk op de voorgeschreven wijze te openen zijn. Een sleutel die ergens aan een haak hangt, biedt daarvoor geen betrouwbare oplossing. Het Bbl kent specifieke uitzonderingen, onder meer voor ruimten waar personen zijn ingesloten en waar personeel de deuren tijdig moet kunnen openen. Zo'n uitzondering vraagt een passende organisatie en kan niet algemeen worden toegepast op bijvoorbeeld een kantoor.
Bij grotere personenstromen kan een panieksluiting nodig zijn. Daarnaast worden de vrije doorgang, herkenbaarheid en eventuele brand- of rookwerende functie beoordeeld. Een deur kan een goede vluchtfunctie hebben en tegelijk moeten sluiten om rookverspreiding te beperken. De keuze van slot, dranger, vergrendeling en eventuele sturing moet beide functies ondersteunen.
De vluchtrouteaanduiding moet overeenkomen met de werkelijk beschikbare uitgang. Tijdens gebruik worden binnen- en buitenzijde vrijgehouden en wordt gecontroleerd of de deur nog volledig opent. Schade, een extra aangebracht slot of opgeslagen goederen kunnen een eerder goedgekeurde uitgang alsnog onbruikbaar maken. Ook buiten openingstijden kunnen schoonmakers of onderhoudsmedewerkers van die uitgang afhankelijk zijn.