Niet-automatische bewaking
Niet-automatische bewaking is een bewakingsomvang waarbij een brandmeldinstallatie wordt geactiveerd met handbrandmelders. Het ontdekken van de brand en het geven van de eerste melding berusten op menselijk handelen. Er zijn binnen deze bewakingsomvang geen automatische brandmelders voor de algemene ontdekking van brand. Nadat iemand een handbrandmelder heeft bediend, kunnen de verwerking van het alarm en de aansturing van andere voorzieningen wel automatisch verlopen.
Een installatie met niet-automatische bewaking kan dus een centrale, bekabeling, voeding, storingsbewaking en koppeling aan een ontruimingsalarminstallatie hebben. De term zegt uitsluitend hoe de brandmelding tot stand komt. Een losse drukknop die direct een willekeurige sirene inschakelt, is daarmee niet zonder meer een brandmeldinstallatie volgens NEN 2535. De installatie moet de voor het project vastgestelde functies en prestaties kunnen leveren.
De bruikbaarheid hangt sterk samen met de bereikbaarheid en herkenbaarheid van de handbrandmelders. Personen moeten een brand kunnen melden zonder eerst een beheerder te zoeken of een afgesloten ruimte te betreden. De plaatsing wordt afgestemd op looproutes, uitgangen en de projecteringsregels. Meubilair, stellingen, geopende deuren of reclame-uitingen mogen de melders niet aan het zicht onttrekken of de bediening hinderen.
Een belangrijke beperking is de periode zonder aanwezige waarnemer. Een brand in een afgesloten magazijn of tijdens de nacht kan geruime tijd onopgemerkt blijven. Niet-automatische bewaking biedt daarom geen gelijkwaardige detectiedekking aan automatische bewaking. Wanneer een veiligheidsconcept uitgaat van vroege brandontdekking, moet worden onderzocht of de veronderstelde menselijke ontdekking onder de werkelijke gebruiksomstandigheden haalbaar is.
Binnen hetzelfde gebouw kan daarnaast automatische detectie aanwezig zijn voor een afzonderlijke taak, zoals het sluiten van een deur of het bewaken van een machine. Die lokale voorziening maakt de algemene bewakingsomvang niet vanzelf gedeeltelijk of volledig. Het onderscheid moet uit de ontwerpdocumenten blijken. Anders kan de aanwezigheid van enkele rookmelders ten onrechte de indruk geven dat het gehele gebouw automatisch wordt bewaakt.
Het Bbl koppelt de vereiste bewakingsomvang aan onder meer gebruiksfunctie, omvang en hoogte. Bij niet-automatische bewaking is daarnaast de alarmering van aanwezigen uitgewerkt in het ontruimingsconcept. Instructies moeten duidelijk maken dat een persoon bij een waargenomen brand direct de vastgestelde alarmprocedure volgt. De techniek kan een niet gegeven melding immers niet verwerken of aan anderen doorgeven.