Luchttoevoer bij rookbeheersing
Luchttoevoer bij rookbeheersing is de gecontroleerde instroom van lucht die nodig is om een rookbeheersingssysteem volgens ontwerp te laten functioneren. Bij rookafvoer vervangt deze lucht de afgevoerde rook en lucht. Bij een overdrukinstallatie vormt de toevoer juist de beschermende druk en luchtstroming. Het benodigde debiet en de plaats van de toevoer worden daarom altijd vanuit het specifieke werkingsprincipe bepaald.
Bij een RWA-installatie moet afgezogen of uitstromend gas kunnen worden aangevuld. Zonder voldoende toevoer neemt de afvoercapaciteit af of ontstaat een ongunstig drukverschil. Toevoeropeningen kunnen bestaan uit gevelroosters, speciaal gestuurde luiken, deuren of een mechanische luchttoevoer. Een toevallig geopende deur is geen betrouwbare ontwerpvoorziening wanneer de beschikbaarheid tijdens brand niet is vastgelegd en geborgd.
Het ontwerp beoordeelt de vrije en effectieve doorlaat. Een rooster, insectengaas of gedeeltelijk geopende deur biedt meer weerstand dan een vrije opening met dezelfde buitenafmetingen. Bij meerdere openingen verdeelt de lucht zich bovendien niet noodzakelijk gelijkmatig. Verschillen in winddruk en stromingsweerstand beïnvloeden die verdeling. De benodigde capaciteit moet worden bepaald voor de maatgevende situatie, inclusief de eventuele gelijktijdige werking van andere ventilatiesystemen.
De lucht behoort de rookafvoer te ondersteunen zonder de rooklaag onnodig te verstoren. Een geconcentreerde luchtstraal kan rook mengen met de lucht in het verblijfsgebied. Toevoer dicht bij de brand kan de pluim veranderen en extra zuurstof bij de brand brengen. Toevoer via een vluchtroute kan deurkrachten en loopomstandigheden beïnvloeden. Plaats, snelheid en richting zijn daardoor even relevant als de totale hoeveelheid lucht.
Bij een overdrukinstallatie wordt buitenlucht in de beschermde ruimte ingebracht. Vervolgens moet deze lucht via de beschouwde deur- en lekopeningen kunnen doorstromen naar een gebied met luchtontlasting. Toevoerdebiet, deurstanden en afvoerweg vormen samen één luchtcircuit. Een extra deur of beter luchtdichte gevel kan de drukverdeling wijzigen. Een ontwerptoets met uitsluitend de toevoerventilator mist dan een belangrijk deel van het systeemgedrag.
NEN 6093 en de relevante delen van NEN-EN 12101 bieden kaders voor de betreffende rookbeheersingssystemen. Bij oplevering worden toevoeropeningen en sturingen in samenhang met de afvoer beproefd. In de gebruiksfase moeten noodzakelijke openingen vrij blijven van opslag, begroeiing en bouwkundige aanpassingen. Wanneer een toevoerdeur ook tegen inbraak of tocht wordt gebruikt, moeten die functies technisch worden afgestemd. Een extra slot mag de vereiste brandstand niet onmogelijk maken.