Loopafstand
De loopafstand is de afstand die iemand langs een bepaalde route daadwerkelijk kan afleggen tussen twee punten. In het Bbl wordt deze bepaald langs een denkbeeldige, kortst realiseerbare lijn waarover op voldoende afstand van constructieonderdelen kan worden gelopen. Bij een trap volgt de afstand de klimlijn. De maat is van belang bij het beoordelen of personen een uitgang of een beter beschermd gedeelte tijdig kunnen bereiken.
De afstand wordt gemeten over een bruikbare vluchtroute. Een rechte lijn door een wand, gesloten loket of vaste machineopstelling levert daarom geen geldige afstand op. Ook een route langs een deur die gebruikers niet kunnen openen, is geen werkelijke vluchtmogelijkheid. Op een plattegrond moeten het beginpunt, het eindpunt en de gevolgde meetlijn herkenbaar zijn. Voor verticale delen is alleen de horizontale projectie onvoldoende.
Bij nieuwbouw speelt daarnaast de gecorrigeerde loopafstand een rol. Daarbij blijven constructieonderdelen buiten beschouwing die niet tot de bouwconstructie behoren. Het gedeelte door een gebruiksgebied wordt met een factor 1,5 vermenigvuldigd. Deze correctie houdt rekening met een mogelijke toekomstige indeling. Zij is dus iets anders dan het zonder nadere beoordeling vermenigvuldigen van iedere bestaande route met anderhalf.
In bepaalde situaties staat het Bbl toe dat de werkelijke afstand wordt gebruikt in plaats van de gecorrigeerde afstand. Dat hangt onder meer samen met een vastgelegde inrichting en het soort ruimte. Wie gebruikmaakt van zo'n mogelijkheid, moet de bijbehorende gebruiksbeperking herkenbaar vastleggen. Een later geplaatste scheidingswand kan anders de aannames achter de beoordeling doorbreken.
Er bestaat geen algemene maximale loopafstand die voor ieder gebouw geldt. Het toegestane traject is afhankelijk van de gebruiksfunctie, nieuwbouw of bestaande bouw, de ligging van compartimenten en de beschermingsstatus van de route. Bovendien kan een artikel de afstand tot een compartimentsuitgang begrenzen, terwijl een ander artikel betrekking heeft op een volgend trajectdeel. Deze afstanden mogen niet worden verwisseld.
Een korte loopafstand bewijst op zichzelf geen tijdige ontruiming. Alarmering, reactiegedrag, beperkte mobiliteit en wachten bij deuren beïnvloeden de benodigde tijd. Daarom worden afstand en doorstroomcapaciteit afzonderlijk onderzocht. Bij het wijzigen van meubilair, opslag of routing is een controle van de werkelijke looplijn vaak voldoende om nieuwe knelpunten vroeg te ontdekken.