Lineaire rookdetectie

Lineaire rookdetectie is automatische rookdetectie waarbij een optische lichtbundel door een ruimte loopt en een ontvanger veranderingen in die bundel meet. Rookdeeltjes verzwakken het ontvangen licht. Wanneer de gemeten verzwakking aan de ingestelde alarmvoorwaarden voldoet, geeft het systeem een brandmelding. Deze techniek wordt vaak beamdetectie genoemd. NEN-EN 54-12 beschrijft de producteisen voor lineaire rookmelders die met een optische bundel werken.

Er bestaan uitvoeringen met een afzonderlijke zender en ontvanger aan tegenoverliggende zijden van de ruimte. Bij reflecterende systemen bevinden zender en ontvanger zich in dezelfde eenheid en wordt het licht via een reflector teruggekaatst. Beide uitvoeringen vragen een geschikte positie en een vrije optische verbinding. Het toegestane bereik en de montagevoorwaarden worden ontleend aan de documentatie van het gebruikte product.

Beamdetectie wordt onder meer toegepast in hoge hallen, atria en andere grote open ruimten waar veel afzonderlijke plafondmelders moeilijk bereikbaar zouden zijn. De bundel bewaakt echter geen willekeurig volume rondom zich. Rook moet daadwerkelijk door de lichtweg trekken om te worden waargenomen. De projectering wordt daarom afgestemd op dakvorm, ruimtehoogte, ventilatie en de te verwachten rookverspreiding. De prestaties van de brandmeldinstallatie blijven het uitgangspunt.

Temperatuurverschillen in een hoge ruimte kunnen ervoor zorgen dat rook onder een warme bovenlaag blijft hangen. Een uitsluitend vlak onder het dak geplaatste bundel bereikt de rook dan mogelijk pas later. Ook toegevoerde lucht of een veranderde ventilatiestand kan de rookbaan beïnvloeden. Zulke omstandigheden vragen een onderbouwde keuze van detectiehoogte en, waar nodig, aanvullende detectie of een geschikte praktijkbeproeving.

Een totale onderbreking door een rijdende kraan, opgeslagen goederen of een bouwsteiger heeft een andere oorzaak dan geleidelijke lichtverzwakking door rook. Het product gebruikt eigen criteria om alarm en storing te onderscheiden. De ontwerper moet nagaan of voorzienbare obstakels en gebouwbewegingen binnen de gebruiksvoorwaarden vallen. Bij montage op een constructiedeel dat door temperatuur of wind beweegt, kan de uitlijning veranderen. Automatische uitlijning neemt deze beoordeling niet weg.

Vervuiling van optiek en reflector vermindert eveneens het ontvangen licht. Controle en reiniging richten zich daarom op de gehele lichtweg. Bij beproeving wordt met geschikte middelen de voorgeschreven verduistering nagebootst en wordt de melding aan de centrale gecontroleerd. Een bereikbare bedieningseenheid op werkniveau kan werkzaamheden vergemakkelijken, maar vervangt het controleren van de optische onderdelen en hun feitelijke omgeving niet.