Kanaalrookdetectie
Kanaalrookdetectie is het waarnemen van rook in de luchtstroom van een ventilatiekanaal. De detector maakt deel uit van een brandmeldsysteem of levert een signaal voor een specifieke brandveiligheidsfunctie. Zo kan een melding worden gebruikt om recirculatie te stoppen of een afsluiting te bedienen. NEN-EN 54-27 bevat producteisen voor rookmelders die voor toepassing in luchtkanalen zijn ontworpen.
Veel kanaalmelders gebruiken een behuizing buiten het kanaal met bemonsteringsbuizen die lucht door een detectiekamer voeren. Er bestaan ook andere uitvoeringen. De lucht moet de sensor op de voorgeschreven wijze bereiken. Kanaalafmetingen, luchtsnelheid, stromingsrichting en positie van de buizen zijn daarbij van belang. Montage nabij een bocht, aftakking of andere verstoring kan de bemonstering beïnvloeden. Daarom worden de montagevoorwaarden van de fabrikant gevolgd.
Een kanaalmelder beoordeelt de lucht die zijn meetplaats passeert. Daarmee is niet aangetoond dat een brand in iedere aangesloten ruimte tijdig wordt ontdekt. Bij stilstaande ventilatie kan rook de detector onvoldoende bereiken. Bij menging met schone lucht kan rook worden verdund. Een detector in een hoofdkanaal kan bovendien lastig aanwijzen uit welke ruimte de rook afkomstig is. Kanaalrookdetectie vervangt algemene ruimtebewaking daarom niet vanzelf.
De gewenste reactie op een kanaalmelding moet aansluiten op het totale brandveiligheidsconcept. Het uitschakelen van comfortventilatie kan verdere rookverspreiding beperken. Voor een rookbeheersingsinstallatie kan juist een voorgeschreven ventilatorbedrijf nodig zijn. Een algemene opdracht om bij iedere melding alle ventilatoren uit te schakelen kan daarmee een andere veiligheidsfunctie verstoren. De relatie tussen melder, ventilator en klep wordt uitgewerkt in de stuurfunctiematrix.
Ook de grens tussen detectie en afsluiting moet duidelijk zijn. Een thermisch bediende brandklep kan op hoge temperatuur reageren, terwijl voor beperking van koude rook een andere activering nodig kan zijn. Het plaatsen van een kanaalmelder bewijst op zichzelf niet dat een klep voldoende rookwerend is of tijdig sluit. Detectie, besturing en de beoordeelde prestatie van de afsluiting moeten bij elkaar passen.
Voor onderhoud moeten de detectorkamer en bemonsteringsbuizen toegankelijk blijven. Stofafzetting, condens, verstopte openingen of een gewijzigde luchtbalans kunnen de werking beïnvloeden. Een test van alleen het relais controleert de luchtbemonstering niet. Na wijzigingen aan kanalen of ventilatoren wordt daarom ook beoordeeld of onder de relevante bedrijfstoestanden nog voldoende representatieve lucht door de detector stroomt en of de gekoppelde acties correct worden uitgevoerd.