Industriefunctie

Een industriefunctie is een gebruiksfunctie voor het bedrijfsmatig bewerken of opslaan van materialen en goederen, of voor bedrijfsmatige agrarische doeleinden. Het kan gaan om een productieruimte, werkplaats, magazijn, archief, kas of stal. De activiteit in de ruimte bepaalt de indeling. Een kantoor of personeelskantine binnen een bedrijfsgebouw kan een afzonderlijke nevengebruiksfunctie vormen.

Een lichte industriefunctie is een industriefunctie waarin het verblijven van personen een ondergeschikte rol speelt. Het woord 'licht' zegt daarmee op zichzelf niets over de omvang van een mogelijke brand. Een grotendeels geautomatiseerd opslaggebouw kan weinig aanwezige personen hebben en tegelijk een grote hoeveelheid brandbare goederen bevatten. De kwalificatie als lichte industriefunctie volgt dus niet uit een lage vuurbelasting of een gunstige sprinklergevarenklasse.

De brandveiligheidsbeoordeling begint bij de processen, opgeslagen stoffen, indeling en bezetting. Lassen, drogen, verwarmen, stofvorming en laadactiviteiten kunnen verschillende ontstekingsscenario's opleveren. Ook goederen die zelf moeilijk branden kunnen door hun verpakking, pallets of kunststof kratten aan de brandontwikkeling bijdragen. De hoeveelheid en verdeling van brandbaar materiaal worden vastgelegd met een passende beschrijving van de vuurbelasting en de opslagconfiguratie.

De omvang en begrenzing van brandcompartimenten worden beoordeeld volgens de toepasselijke bouwvoorschriften. Voor grotere compartimenten kunnen onder voorwaarden bepalingsmethoden zoals NEN 6060 en NEN 6079 worden gebruikt. Hun uitgangspunten moeten passen bij de activiteit en daadwerkelijk worden gehandhaafd. Een latere uitbreiding van stellingen of wijziging van productsoorten kan daardoor ook gevolgen hebben voor de aanvaardbaarheid van het compartiment.

Installaties worden afgestemd op de brandverschijnselen en omgeving. Stof, dampen, hoge plafonds en sterke luchtstromingen beïnvloeden detectie en rookverspreiding. De keuze voor een blusinstallatie hangt onder meer af van de stoffen, het opslagbeeld en het beschermingsdoel. Het enkele feit dat een systeem in een andere bedrijfshal werkt, onderbouwt zijn geschiktheid voor een nieuw proces onvoldoende.

Naast het Bbl kunnen regels uit het Bal, het omgevingsplan, de omgevingsvergunning en arbeidsomstandighedenregelgeving gelden. Bij gevaarlijke stoffen kan een PGS-richtlijn richting geven of via een juridische grondslag verplicht zijn. Proceswijzigingen worden daarom gezamenlijk op bouwkundige, milieutechnische en organisatorische gevolgen beoordeeld, inclusief bereikbaarheid voor hulpdiensten en de beheersing van verontreinigd bluswater.