Energieopslagsysteem (EOS)
Een energieopslagsysteem, afgekort EOS, slaat energie op en maakt deze later weer beschikbaar. In de context van elektrische brandveiligheid gaat het vaak om een stationair batterijsysteem, bijvoorbeeld voor opslag van zonne-energie of het opvangen van pieken in elektriciteitsgebruik. Het systeem omvat behalve batterijcellen ook elektrische beveiligingen, besturing, vermogenselektronica en eventueel koeling of ventilatie.
De opslagcapaciteit wordt doorgaans uitgedrukt in kilowattuur; het laad- en ontlaadvermogen in kilowatt. Deze waarden beschrijven verschillende eigenschappen. Voor een brandveiligheidsbeoordeling zijn daarnaast celchemie, opbouw, laadstatus, behuizing, opstellingsplaats en de mogelijkheid van uitbreiding tussen modules nodig. Een thuisbatterij in een woning heeft een andere omgeving en inzetbaarheid dan een vrijstaande batterijcontainer op een bedrijfsterrein.
Bij lithiumhoudende systemen is thermal runaway een maatgevend aandachtspunt. Naast hitte en brand kunnen brandbare en giftige gassen ontstaan. Een inpandige opstelling vraagt daarom aandacht voor de verspreiding naar verblijfsruimten en vluchtroutes, drukopbouw en toegang voor hulpdiensten. Een technische ruimte die bouwkundig van de omgeving is gescheiden, is daarmee nog niet automatisch geschikt voor ieder batterijsysteem.
PGS 37-1 geeft maatregelen voor lithiumhoudende energieopslagsystemen binnen het toepassingsgebied van de richtlijn. Of en hoe deze maatregelen juridisch verplicht zijn, hangt af van de geldende activiteitregels, vergunningvoorschriften, zorgplichten en het omgevingsplan. De beschikbaarheid van een definitieve PGS-publicatie betekent op zichzelf geen algemene landelijke toepassingsplicht voor elk EOS. De opslag van losse batterijen wordt in PGS 37-2 afzonderlijk behandeld.
Een veiligheidsconcept koppelt preventie, detectie, uitschakeling en gevolgbeperking aan concrete scenario's. Het moet duidelijk zijn welke signalen afkomstig zijn van het batterijmanagementsysteem, welke onafhankelijke brand- of gasdetectie aanwezig is en wie een alarm opvolgt. Ook storingen in communicatie, koeling en energievoorziening kunnen het veilige functioneren beïnvloeden.
De bereikbaarheid voor hulpdiensten en mogelijkheden voor veilig uitschakelen worden vooraf vastgelegd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen het loskoppelen van het net en de energie die in het systeem aanwezig blijft. De instructies en locatiegegevens moeten bij een incident beschikbaar zijn, ook als digitale voorzieningen uitvallen.
Wijzigingen in capaciteit, batterijmodules, software of ruimtegebruik worden beoordeeld tegen de oorspronkelijke veiligheidsuitgangspunten. Ook beschadigde onderdelen, onderhoud en afvoer na een incident vragen afspraken. Waar blus- of koelwater kan vrijkomen, wordt de benodigde bluswateropvang betrokken bij het ontwerp.