Brandmeldcentrale

Een brandmeldcentrale, afgekort BMC, ontvangt en verwerkt signalen van de melders en andere onderdelen van een brandmeldinstallatie. De centrale maakt brandmeldingen, storingen en uitgeschakelde functies zichtbaar en hoorbaar voor de verantwoordelijke personen. Afhankelijk van het ontwerp geeft zij signalen door aan andere installaties en aan een externe ontvangstorganisatie. De producteisen voor brandmeldcentrales staan in NEN-EN 54-2; de toepassing binnen een gebouw wordt onder meer uitgewerkt in NEN 2535.

Bij een adresseerbaar systeem kan de centrale doorgaans aangeven welke afzonderlijke melder heeft aangesproken. Een conventioneel systeem lokaliseert een melding meestal via de aangesloten meldergroep. In beide gevallen moeten de weergegeven plaatsaanduidingen begrijpelijk zijn voor degenen die de melding onderzoeken. Een technisch adres als luspuntnummer is daarvoor op zichzelf onvoldoende. Ruimtenummers, verdiepingen en de indeling in detectiezones moeten aansluiten op de werkelijke gebouwindeling.

De signalering onderscheidt verschillende bedrijfstoestanden. Een brandalarm vraagt om uitvoering van de alarmprocedure. Een storingsmelding betekent dat een onderdeel of verbinding mogelijk onvoldoende functioneert. Een uitschakeling is een bewust buiten werking gestelde functie, bijvoorbeeld tijdens werkzaamheden. De afwezigheid van een brandalarm bewijst daarom niet dat de gehele installatie beschikbaar is. Ook storingen en uitschakelingen moeten actief worden beoordeeld.

De centrale kan de ontruimingsalarminstallatie activeren, deurvastzetinrichtingen vrijgeven of een opdracht aan een rookbeheersingsinstallatie versturen. De gewenste reacties worden vastgelegd in een stuurfunctiematrix. Een ontvangen brandmelding en een verzonden stuurcommando zijn afzonderlijke stappen. Waar terugmelding is voorzien, moet ook duidelijk zijn of het aangestuurde onderdeel zijn gewenste stand werkelijk heeft bereikt.

De elektrische voeding en de verbindingen verdienen afzonderlijke aandacht. De noodvoeding houdt de vereiste functies beschikbaar bij uitval van de normale stroomvoorziening. In een netwerk met meerdere centrales wordt bovendien onderzocht welke functies bij een kabelbreuk, netwerkstoring of uitval van één centrale verloren kunnen gaan. Het aantal centrales zegt weinig over de mate waarin zulke uitval is begrensd.

Bediening zoals het stoppen van de interne zoemer, het uitschakelen van een meldergroep en het terugstellen van een brandalarm heeft verschillende gevolgen. De beheerder moet die verschillen kennen en toegang tot ingrijpende instellingen beheersen. Terugstellen zonder de oorzaak van de melding te onderzoeken kan informatie verloren laten gaan of sturingen voortijdig beëindigen. Daarom worden bedieningshandelingen gekoppeld aan duidelijke procedures en registratie.