Brandklep
Een brandklep is een afsluitvoorziening in een luchtkanaal die bij brand sluit om verspreiding van brand via het ventilatiesysteem te beperken. Zij wordt toegepast waar een kanaal een brandwerende scheiding doorkruist, of in een daarvoor aangetoonde opstelling op afstand van die scheiding. In normaal bedrijf staat de klep doorgaans open voor de ventilatielucht.
De klep bestaat uit een behuizing, een afsluitblad, afdichtingen en een bedienings- of activeringsmechanisme. Sluiting kan thermisch worden geactiveerd of plaatsvinden door een aandrijving die op een brandmelding reageert. Bij een uitsluitend thermische activering moet de temperatuur bij het mechanisme eerst voldoende oplopen. Daarmee wordt verspreiding van relatief koude rook niet automatisch tijdig voorkomen. Als rookbeperking deel uitmaakt van de beveiligingsdoelstelling, moeten de lekkageprestatie, detectie en aansturing daarop zijn afgestemd.
Brandkleppen worden beproefd volgens NEN-EN 1366-2 en geclassificeerd volgens NEN-EN 13501-3. De classificatie kan onder meer betrekking hebben op vlamdichtheid, thermische isolatie en rooklekkage. Aanvullende aanduidingen beschrijven de toepassingscondities, zoals de positie en richting van de brandbelasting. De vereiste prestatie volgt uit de functie van de brandscheiding en het ontwerp van de installatie. Een klep met een bepaalde tijdsclassificatie is daardoor niet automatisch geschikt voor iedere wand of vloer.
Voor de werking is de montage rond de klep even belangrijk als het product zelf. Wandtype, wanddikte, positie van het klepblad, afdichting en vrije afstanden moeten binnen de onderbouwing vallen. Een klep die voor een massieve wand is aangetoond, mag niet zonder controle in een lichte scheidingswand worden ingebouwd. Ook ondersteuning van de aangesloten kanalen en ruimte voor het openen van inspectieluiken verdienen aandacht.
Een brandklep verschilt van een rookbeheersingsklep. Die laatste stuurt lucht- of rookstromen binnen een rookbeheersingssysteem en kan volgens het gekozen scenario juist geopend moeten blijven. Het verwisselen van deze functies kan de werking van een volledige installatie verstoren. Leg de gewenste standen en meldingen daarom vast in de stuurfunctiematrix. Tijdens beheer moet worden gecontroleerd of het klepblad vrij beweegt, sluit en zijn eindstand bereikt. Een terugmelding bewijst niet zonder meer dat ook de afdichting en bouwkundige aansluiting nog intact zijn. Daarom moeten bereikbaarheid en periodieke controle al bij het kanaalontwerp worden meegenomen.