Brandblusser
Een brandblusser is een draagbaar blustoestel waarmee een beginnende brand kan worden bestreden. Het toestel bevat een blusstof die onder druk of met behulp van een drijfgas wordt uitgeworpen. Veel voorkomende typen zijn water-, schuim-, poeder- en kooldioxideblussers. De juiste keuze hangt af van de te verwachten brandklasse, elektrische risico’s, omgeving, mogelijke nevenschade en de persoon die het toestel moet gebruiken.
Water en watermist zijn vooral geschikt voor branden van vaste stoffen, zoals hout en papier. Schuim kan, afhankelijk van de productclassificatie, worden gebruikt voor vaste stoffen en bepaalde brandbare vloeistoffen. Poeder heeft een breed toepassingsgebied en een krachtige bluswerking, maar veroorzaakt veel vervuiling en kan apparatuur beschadigen. Kooldioxide laat geen residu achter en wordt daarom vaak bij elektrische apparatuur toegepast; in kleine ruimten bestaat verstikkingsgevaar en vaste stoffen kunnen na het verdwijnen van het gas opnieuw ontbranden.
Een blusser is alleen bedoeld voor een brand die nog klein is, terwijl een veilige vluchtroute achter de gebruiker beschikbaar blijft. Eerst moeten aanwezigen worden gewaarschuwd en de brand worden gemeld. De gebruiker richt op de basis van de vlammen, houdt voldoende afstand en stopt wanneer rook, hitte of uitbreiding de situatie onveilig maakt. Een leeggespoten blusser is geen reden om langer te blijven; evacuatie heeft prioriteit.
De capaciteit wordt niet uitsluitend door het aantal kilogrammen of liters bepaald. Op het etiket staat een blusrating, bijvoorbeeld voor brandklasse A of B, die uit een gestandaardiseerde proef volgt. Twee toestellen met dezelfde inhoud kunnen een andere rating hebben. Ook gebruiksduur, worplengte en bediening verschillen. Voor vetbranden in professionele keukens zijn speciaal voor brandklasse F beproefde toestellen nodig; water of een ongeschikt toestel kan brandende olie gevaarlijk verspreiden.
Blustoestellen moeten zichtbaar, bereikbaar en tegen beschadiging en ongunstige temperaturen beschermd zijn. Plaatsing nabij een uitgang of vluchtweg maakt het mogelijk de brand te benaderen zonder de terugweg af te snijden. Signalering kan nodig zijn. De benodigde soort, hoeveelheid en verdeling volgen uit wetgeving, risicoanalyse, normen, verzekeringsvoorwaarden en het gebruik van het gebouw.
Gebruikersinstructie omvat meer dan de borgpen verwijderen. Men moet het toestel kunnen herkennen, weten welke branden ermee mogen worden bestreden en de beperkte spuitduur beseffen. Oefenen met een trainingsmiddel helpt om afstand, houding en terugtrekken te ervaren. Bij opslag van lithium-ionaccu’s vraagt de strategie bijzondere aandacht: herontsteking en thermische runaway kunnen langdurige koeling en inzet van de brandweer vereisen.
Periodiek onderhoud controleert onder meer druk, massa, borging, slang, verzegeling, corrosie en houdbaarheid van blusstof en onderdelen. Na ieder gebruik, ook kort, moet het toestel worden aangeboden voor hervulling of vervanging. Een brandblusser ondersteunt de eerste interventie, maar vervangt geen detectie, compartimentering, sprinklerbeveiliging of goede ontruiming.