Bluswatervoorziening
Een bluswatervoorziening maakt water beschikbaar voor het bestrijden van brand en het beschermen van bedreigde objecten. Zij omvat de waterbron en de voorzieningen waarmee dat water tijdig op de inzetlocatie kan worden gebruikt. Bij de beoordeling gaat het daarom om meer dan het aanwezige volume. Ook leveringsduur, debiet, druk, bereikbaarheid en de tijd die nodig is om de watervoorziening op te bouwen zijn bepalend.
Water kan afkomstig zijn van een brandkraan, een geboorde put, een reservoir of open water. Welke combinatie geschikt is, hangt af van het terrein, het beschikbare leidingnet en de verwachte inzet. Een direct bruikbare bron kan de eerste inzet ondersteunen, terwijl voor een langdurige of grote brand aanvullend watertransport nodig is. De tankinhoud van een brandweervoertuig overbrugt slechts een deel van die behoefte.
De benodigde capaciteit wordt gekoppeld aan relevante brandscenario's. Het blussen van een compartimentsbrand, het koelen van een bedreigde tank en het beheersen van een buitenopslag kunnen verschillende hoeveelheden water vragen. Daarbij moet duidelijk zijn welke stromen gelijktijdig worden verondersteld. Water dat beschikbaar moet blijven voor een vaste blusinstallatie kan niet zonder beoordeling ook aan de inzet van mobiele middelen worden toegerekend.
Voor gebouwgebonden bluswatervoorzieningen zijn de plaatselijke regels van het omgevingsplan van belang. Onder de Omgevingswet zijn hierover regels via de bruidsschat bij gemeenten terechtgekomen; gemeenten kunnen deze aanpassen. Daarnaast kunnen vergunningvoorschriften of regels voor specifieke activiteiten relevant zijn. Regionaal bluswaterbeleid en de landelijke handreiking ondersteunen de beoordeling, maar vormen niet zonder meer voor iedere locatie rechtstreeks bindende eisen.
Het ontwerp moet aantonen hoe water van de bron naar de inzet komt. Een hoge theoretische broncapaciteit helpt weinig als een pomp niet dichtbij kan komen, aansluitingen niet passen of de transportafstand te groot is. Drukverliezen, hoogteverschillen en de benodigde pompen worden in samenhang beoordeeld. Afspraken over de opstelplaats voor de brandweer horen daarom bij de uitwerking van de voorziening.
Beheer richt zich op de werkelijke beschikbaarheid. Storingen, werkzaamheden aan het leidingnet, begroeiing en gewijzigd terreingebruik kunnen de inzetbaarheid beperken. Leg vast wie controleert, onderhoud uitvoert en afwijkingen doorgeeft. Een aangepast terreinplan of een nieuwe opslagactiviteit kan ook de waterbehoefte veranderen. De gegevens over capaciteit, aansluitwijze en locatie moeten overeenkomen met de informatie die de brandweer bij een incident gebruikt.